Een Spy paal configureren

Nadat u een Spy™ paal hebt geïnstalleerd en op de kaartplotter hebt aangesloten, wordt u gevraagd een installatiewizard te starten om de eerste configuratie en kalibratie uit te voeren. U kunt elke configuratiewaarde aanpassen of een kalibratie uitvoeren als u de installatiewizard hebt overgeslagen of als u specifieke instellingen wilt verfijnen.

  1. Selecteer op de Spy™ paal bedieningsbalk Menu-knop > Installatie > Kalibreer.
  2. Selecteer een optie:
    • Selecteer Boegcorrectie om de boogcorrectie in te stellen.

    • Om een aangesloten Spy™ koerssensor te kalibreren, selecteert u Spy™ koerssensor (Kalibreren van de Spy koerssensor gekoppeld aan een Spy paal).

    • Om de uitlijning van de stuurinrichting te kalibreren, selecteert u Kalibratie van uitlijning van stuurinrichting.

  3. Volg de aanwijzingen op het scherm om de configuratie of kalibratie te voltooien.
  4. Herhaal deze procedure voor andere instellingen die u wilt configureren of kalibreren.

Kalibreren van de Spy koerssensor gekoppeld aan een Spy paal

U wordt gevraagd om de Spy™ koerssensor te kalibreren na de installatie. U kunt dit proces vanaf de kaartplotter uitvoeren als u de eerste kalibratie hebt overgeslagen of als u deze opnieuw wilt kalibreren voor betere resultaten.

OPMERKING: Een Spy™ koerssensor is alleen vereist als er geen andere bron van koersinformatie beschikbaar is voor de kaartplotter via het NMEA 2000® netwerk, Garmin BlueNet™ netwerk of Garmin® Marine Network.
  1. Voeg indien nodig de Spy™ paal bedieningsbalk toe aan een scherm (De bedieningselementen voor de Spy paal toevoegen aan schermen).
  2. Selecteer op de Spy™ paal bedieningsbalk Menu-knop > Installatie > Kalibreer > Spy™ koerssensor.

    De kalibratiewizard wordt geopend.

  3. Selecteer Begin en volg de instructies op het scherm op tot de kompaskalibratie is voltooid. Zorg er daarbij voor dat u de boot zo stabiel en waterpas mogelijk houdt.

    Zorg dat de boot tijdens het kalibreren niet overhelt.

    U kunt indien mogelijk het vaartuig op een vaste plaats laten draaien door twee motoren in tegengestelde richting aan te zetten.

    OPMERKING: Als de koersprestaties na de kalibratie niet goed zijn, moet u de sensor mogelijk verplaatsen en het kompas opnieuw kalibreren. Raadpleeg de Spy™ installatie-instructies voor de paal voor meer informatie.
  4. Selecteer Automatische koersaanpassing.
    OPMERKING: De uitlijningsmethode is alleen beschikbaar als er een GPS-bron aanwezig is op het Garmin BlueNet netwerk of Garmin Marine Network. Als er geen verbinding is met een GPS-bron, moet u de koers handmatig uitlijnen (Fijne koersaanpassing aanpassen).
  5. Selecteer Begin.
  6. Volg de aanwijzingen op het scherm tot de uitlijning voltooid is.

Fijne koersaanpassing aanpassen

Als er geen GPS-bron aanwezig is op het Garmin BlueNet netwerk of het Garmin Marine Network, is de optie Automatische koersaanpassing niet beschikbaar als onderdeel van de kalibratie met behulp van het menu. In plaats daarvan moet u de Fijne koersaanpassing aanpassen.

U kunt de Fijne koersaanpassing aanpassen in combinatie met Automatische koersaanpassing om de koersinformatie in de stellen (optioneel).

  1. Start de kalibratie van de Spy™ koerssensor en ga direct naar Fijne koersaanpassing.
  2. Gebruik een opvallend punt of kompas waarvan u weet dat het goed werkt en bepaal de koers van uw boot.
  3. Pas de koers aan tot deze overeenkomt met uw meting.
  4. Selecteer OK.

De boegcorrectie van de Spy paal instellen

Het kan zijn dat de Spy™ paal niet is uitgelijnd met de middenlijn van uw boot, dit is afhankelijk van de installatiehoek. Voor de beste resultaten stelt u dan de boegcorrectie in.

  1. Pas de hoek van de Spy™ paal 1 zodat deze is uitgelijnd 2 met de middenlijn van uw boot.

    Boegcorrectie met toelichtingen
  2. Selecteer op de Spy™ bedieningsbalk van de paal Menusymbool > Installatie > Kalibreer > Boegcorrectie.

De uitlijning van de stuurinrichting van de Spy paal kalibreren

De Spy™ paal is in de fabriek uitgelijnd en hoeft niet regelmatig te worden uitgelijnd. Af en toe kan de stuurinrichting van de Spy™ paal, als gevolg van een botsing of een onverwachte handmatige draaiing van de as, onregelmatig lijken of krijgt u een foutmelding met betrekking tot de uitlijning van de stuurinrichting. U kunt deze uitlijningsprocedure uitvoeren om dit type fout te corrigeren.

  1. Klap indien nodig de Spy™ paal uit.
  2. Selecteer op de bedieningsbalk van de Spy™ paal Menusymbool > Installatie > Kalibreer > Kalibratie van uitlijning van stuurinrichting.
  3. Volg de aanwijzingen op het scherm en selecteer Begin.
    OPMERKING: De Spy™ paal voert tijdens het kalibratieproces een aantal stuurbewegingen uit.
  4. Wacht tot het kalibratieproces is voltooid.

De positie van de toestellen op de boot instellen

Voor sommige geavanceerde functies van de Spy™ paal, zoals de SpyLock™ functie en OneVü™ scans, moet u de positie van toestellen en sensoren op de boot definiëren. Wanneer u voor het eerst een Spy™ paal aansluit op de kaartplotter, wordt u gevraagd een installatiewizard te starten die de configuratie van de positie van het toestel bevat. U kunt dit op elk gewenst moment opnieuw uitvoeren om deze waarden in te stellen of te verfijnen voor de beste prestaties.

  1. Als u deze configuratie niet uitvoert als onderdeel van de wizard voor het instellen van de Spy™ paal, selecteert u Menu Instellingen > Mijn boot > Positie van toestel.
  2. Selecteer de sensornaam in het venster aan de linkerkant en druk vervolgens op Selecteer.
  3. Selecteer Correctie stuurb/bakb.
  4. Gebruik het beeld op het scherm als richtlijn en meet de afstand van de middellijn van de boot tot de geïnstalleerde locatie van de Spy™ paal.
  5. Selecteer Correctie stuurb/bakb en voer de waarde in die u in de vorige stap hebt gemeten.
  6. Selecteer Correctie achtersteven.
  7. Gebruik de afbeelding op het scherm als richtlijn en meet de afstand van de achtersteven (achterkant) van de boot tot de geïnstalleerde locatie van de Spy™ paal.
  8. Selecteer Correctie achtersteven en voer de waarde in die u in de vorige stap hebt gemeten.
  9. Nadat u de waarden voor beide hebt gemeten en ingevoerd, selecteert u Terug.
  10. Herhaal deze procedure voor de andere toestellen die worden weergegeven in het venster Positie van toestel.
GUID-25CCEC48-337E-47C0-8B89-5C35CCDB65AC v35
April 2026