Installatie

Aandachtspunten bij de montage

Houd rekening met de volgende aandachtspunten bij de keuze van montagelocaties voor de camera en zenderdoos.


Voorbeelden van cameralocaties met toelichtingen
  • U kunt de camera's bevestigen op de buitenspiegels 1 of op ieder stabiel, vlak oppervlak 2 met een goed zicht op de zijkant van uw voertuig of aanhanger.

  • U moet de camera's op een hoogte van minstens 120 cm (4 ft.) monteren, en niet meer dan 240 cm (8 ft.) van het wegdek.

  • U dient de camera's te monteren op locaties die voldoende ruimte bieden om kabels te leggen en installatiegereedschap te gebruiken.

  • U dient een voorziene montagelocatie te testen voordat u de camera's definitief monteert.

  • U dient ervoor te zorgen dat de zenderdoos binnen 3 m (10 ft.) wordt geplaatst van uw smartphone, tablet of navigatietoestel.

  • Monteer de zenderdoos stevig op een hard oppervlak in uw voertuig dat toegang biedt tot de geheugenkaart.

  • U moet ervoor zorgen dat de zenderdoos zich binnen het bereik van de camerakabels bevindt. Houd rekening met de kabelgeleiding en het kabelbeheer om er zeker van te zijn dat u voldoende kabel hebt voordat u de zenderdoos permanent bevestigt.

  • De zenderdoos wordt heet tijdens langdurig gebruik. U dient de zenderdoos te monteren op een niet-bekleed oppervlak met een goede luchtstroom.

  • Bij de geleiding van kabels moet u die beschermen tegen scherpe voorwerpen. Gebruik rubberen doorvoerringen (niet inbegrepen) om kabels door metalen panelen te geleiden om de kabels te beschermen.

De locaties van de camera en de zender testen

U moet de locaties van de camera en de zender testen om een permanente installatie te plannen.

  1. Zet de camera's tijdelijk vast op de gewenste montageplaatsen met afplaktape.
  2. Plaats de zenderdoos tijdelijk op de voorziene installatielocatie en verbind deze met de camera's.
  3. Sluit de zenderdoos aan op een voedingsbron van 12 V of 24 V (Voedingsaansluiting).
    TIP: Als u de bedrading van uw voertuig niet wilt losmaken voor deze test, kunt u de zenderdoos aansluiten op een gelijkstroombatterij van 12 V.
  4. Test of de zender goed werkt door de videofeed op een gekoppelde smartphone te bekijken terwijl u zich in uw auto bevindt.
    OPMERKING: U moet de zenderdoos koppelen aan de Garmin Drive™ app voordat u de videofeed kunt bekijken en de zenderlocatie kunt testen (Het camerasysteem aan een smartphone of tablet koppelen).
  5. Test het camerabeeld door de videofeed op uw smartphone te bekijken.
  6. Als de camera's geen optimaal zicht bieden voor uw voertuig, verplaats ze dan naar een andere locatie en probeer het opnieuw.
  7. Herhaal stap 5 en 6 totdat de montagelocaties van de camera's optimaal zicht bieden voor uw voertuig.
    TIP: Noteer de oriëntatie van de camera's tijdens het testen van de cameraweergave om zeker te zijn van een correcte permanente installatie (De cameralens aanpassen).

De opschroefbare bodemplaat van de camera monteren

Voordat u de bodemplaat van de camera met de meegeleverde hardware kunt monteren, moet u een montageplaats kiezen waar u toegang hebt tot beide zijden van het montageoppervlak.

  1. Verwijder de opschroefbare bodemplaat 1 van de camera.
  2. Gebruik de opschroefbare bodemplaat van de camera als montagesjabloon en markeer het montageoppervlak met de drie schroeflocaties 2.

    De opschroefbare bodemplaat op een oppervlak gemonteerd met toelichtingen
  3. Als u de camerakabel door het montageoppervlak wilt leiden, markeert u de locatie van het kabelgat 3 (optioneel).
  4. Verwijder de opschroefbare bodemplaat van het montageoppervlak.
  5. Met een 3/16 inch (4,8 mm) boor die geschikt is voor het door u gekozen montageoppervlak, boort u 3 voorboorgaten.
  6. Met een 1/2 inch (13 mm) boor die geschikt is voor het door u gekozen montageoppervlak, boort u het kabelgat (optioneel).
  7. Bevestig de bodemplaat van de camera op het montageoppervlak met de meegeleverde schroeven, ringen en moeren 4.

De zelfklevende bodemplaat van de camera monteren

OPMERKING

De zelfklevende bodemplaat is bedoeld voor langdurige montage en is mogelijk moeilijk te verwijderen. Bepaal van te voren nauwkeurig waar u de bodemplaat wilt plaatsen voordat u deze bevestigt.

OPMERKING

Voor de beste resultaten moet de omgevingstemperatuur tussen de 21° en 38°C (70° tot 100°F) zijn bij het plaatsen van de zelfklevende bodemplaat op de voorruit. De plaklaag hecht mogelijk niet goed als de temperatuur buiten dit bereik ligt. Als u de bodemplaat bij lagere temperaturen moet installeren, moet u alle sneeuw, ijs en vocht van het montageoppervlak verwijderen en het oppervlak verwarmen voordat u de bodemplaat monteert.

Voordat u de zelfklevende bodemplaat op uw voertuig monteert, moet u de aandachtspunten voor montage doornemen.

  1. Maak het oppervlak schoon met water of alcohol en een pluisvrije doek.

    Het oppervlak moet vrij zijn van stof, was, olie of coatings.

  2. Nadat u een bevestigingsplaats met duidelijk zicht hebt geselecteerd, verwijdert u de beschermfolie 1 van de onderkant van de bodemplaat 2.

    Zelfklevende bodemplaat op een oppervlak met toelichtingen
  3. Plaats de bodemplaat boven de montageplaats 3.
    TIP: De plaklaag is bijzonder plakkerig. Zorg dat de plaklaag niet tegen het montageoppervlak komt tot de steun zich op de juiste plaats bevindt.
  4. Druk de bodemplaat vervolgens stevig op het montageoppervlak en druk 30 seconden goed aan.

De camera aan de bodemplaat bevestigen

Afhankelijk van uw installatie kunt u de camerakabel door de bodemplaat en het montageoppervlak leiden, of door de sleuf in de zijkant van de camera.

  1. Houd de camera 1 boven de bodemplaat.

    Installatie van de camera met toelichtingen
  2. Selecteer een optie:
    • Als u de camerakabel door de zijkant van de camera leidt, plaatst u de doorvoertule 2 en de camerakabel 3 zodanig dat de doorvoertule zich in de groeven van de camera en de bodemplaat bevindt.

      TIP: De doorvoertule moet met één kant aan de binnenkant van de camerabehuizing worden geplaatst en één kant aan de buitenkant van de bodemplaat van de camera.
    • Als u de camerakabel door het montageoppervlak leidt, voert u de camerakabel door het kabelgat 4 in de bodemplaat.

  3. Plaats de camera over de bodemplaat en zet deze vanaf de zijkanten vast met de meegeleverde sterschroeven 5.

De camerakabels aansluiten

WAARSCHUWING

Gebruik het heteluchtpistool alleen om de krimpkous te verwarmen in een goed geventileerde ruimte. Gebruik het heteluchtpistool niet in de buurt van kleding of blote huid. Dit kan leiden tot materiële schade of ernstig letsel.

OPMERKING

U moet krimpkous aanbrengen op het aansluitpunt van de camerakabel om de camera's te beschermen tegen elektrostatische ontlading en/of kortsluiting. Gebruik zonder krimpkous kan resulteren in schade aan de camera of slecht functioneren van het product.

  1. Schuif een stuk van de meegeleverde krimpkous over de coaxkabel van elke camera.
  2. Sluit de coaxkabel van elke camera aan op de coaxkabels op de zenderdoos.

    Coaxkabelaansluiting met toelichtingen
    TIP: De kabels zijn niet gelabeld voor de linker- of rechterzijde. Met de Garmin Drive app kunt u instellen welke camera zich aan de linker- of rechterkant bevindt.
  3. Draai de kraag 1 op elke coaxiale kabelverbinding aan met een maximaal aanhaalmoment van 9 kgf-cm (7,81 lbf-in.).
  4. Breng de krimpkous aan over de verbinding tussen de twee kabels 2 met behulp van een heteluchtpistool op 100°C (212°F).

    Zorg ervoor dat al het blootliggende metaal op het kabelaansluitpunt wordt afgedekt door de krimpkous.

De zenderdoos monteren

Voordat u de zenderdoos met de meegeleverde hardware kunt monteren, moet u een stevig montageoppervlak in uw voertuig kiezen waar u toegang hebt tot beide zijden van het montageoppervlak.

  1. Markeer de voorboorgaten 1 met behulp van de meegeleverde montagesjabloon.

    Installatie van de zenderdoos met toelichtingen
  2. Met een 3/16 inch (4,8 mm) boor die geschikt is voor uw montageoppervlak, boort u de voorboorgaten.
  3. Bevestig de zenderdoos 2 op het montageoppervlak met behulp van de meegeleverde schroeven, moeren en ringen 3.

Een geheugenkaart in de zenderdoos plaatsen

Als u video wilt opnemen, moet u een compatibele geheugenkaart installeren (niet meegeleverd). U kunt microSDHC- of microSDXC-geheugenkaarten van 16 tot 512 GB gebruiken met een snelheidsklasse van 10 of hoger. Geheugenkaarten moeten geformatteerd zijn in de exFAT-indeling.

  1. Draai met behulp van de meegeleverde sterschroevendraaier de schroef los 1 waarmee de klep van de beschermkap aan de zenderdoos is bevestigd.

    Geheugenkaartplaatsing met toelichting
  2. Plaats een microSD kaart 2 in de uitsparing voor de geheugenkaart 3.
  3. Sluit de klep van de beschermkap en draai de schroef vast.

De bedrading van de richtingaanwijzers aansluiten

U kunt de draden van de richtingaanwijzers vanaf de zenderdoos aansluiten op de linker en rechter richtingaanwijzers in uw voertuig. Het dēzl™ DualView systeem bevat aftakaansluitingen waarmee u de richtingaanwijzers kunt aansluiten zonder dat u de draden handmatig hoeft te knippen en te splitsen. U kunt de draden voor de linker- of rechterzijde instellen met de Garmin Drive app.

Bij de meeste installaties kunt u de plusdraden aansluiten op de richtingaanwijzers aan de zijkanten van uw voertuig. Neem contact op met de fabrikant van uw voertuig voor specifieke vragen over de aansluitingen van de richtingaanwijzers in uw voertuig.

Voedingsaansluiting

Als u het toestel op de voeding aansluit, moet u de rode en zwarte draden aansluiten op de voedingsbron.

Rode draad
  • Deze kabel voorziet het toestel van stroom.

  • Gebruik een draad met een doorsnede van minstens 0,34 mm2 (22 AWG) als deze draad moet worden verlengd.

  • Als voor uw installatie een zekering nodig is, kunt u de meegeleverde zekering aansluiten op deze draad (Geïntegreerde zekeringskabel). De zekering dient zo dicht mogelijk bij de voedingsbron te worden geïnstalleerd.

Zwarte draad
  • Dit is de aardedraad en u moet deze aansluiten op het negatieve aansluitingspunt van de voedingsbron of op een gemeenschappelijke aarding.

  • Gebruik een draad met een doorsnede van minstens 0,34 mm2 (22 AWG) als deze draad moet worden verlengd.

Geïntegreerde zekeringskabel

WAARSCHUWING

Garmin® raadt aan dat een ervaren installateur met de juiste kennis van elektrische systemen de geïntegreerde zekeringskabel installeert. Het onjuist aansluiten van de stroomkabel of de geïntegreerde zekeringskabel kan schade toebrengen aan het voertuig of de batterij, en kan persoonlijk letsel veroorzaken.

In veel gevallen moet u de meegeleverde geïntegreerde zekeringskabel op de voedingskabel van het toestel installeren om het toestel te beschermen tegen overspanning.


Zekeringskabel
  • U moet de meegeleverde geïntegreerde zekeringskabel installeren als u de voedingskabel rechtstreeks aansluit op de voertuigaccu.

  • Als u de voedingskabel aansluit op een accessoirevoeding of stroomrail die al een geschikte zekering of beveiligingscircuit heeft, hoeft u de meegeleverde geïntegreerde zekering niet te installeren.

  • Bij het installeren van de geïntegreerde zekeringskabel moet u deze met de meegeleverde knijpconnector aansluiten op de rode systeemvoedingskabel.

De cameralens aanpassen

De camera's maken gebruik van een verstelbare lensmodule 1 in een behuizing die op een bodemplaat is gemonteerd. De verstelbare lensmodule kan tot 45 graden worden gekanteld en tot 180 graden rechtsom of linksom worden gedraaid. De markeringen aan de randen van de lens 2 geven de horizonlijn aan. Nadat u het gezichtsveld op uw aangesloten scherm hebt gecontroleerd, moet u de camera in de configuratie vergrendelen door de borgschroef 3 vast te draaien met de meegeleverde inbussleutel.

TIP: U moet de camera van de bodemplaat verwijderen voordat u grote aanpassingen aan de rotatie van de camera uitvoert.

Schema voor camera-aanpassing met toelichtingen
  1. Controleer tijdens de eerste installatie in de Garmin Drive app of beide zijden van uw voertuig 4 in het midden van de videofeed worden weergegeven.

    Cameraweergave met toelichtingen
  2. Als in de videofeed de zijkanten van uw voertuig aan de buitenranden van het camerabeeld worden weergegeven, selecteert u Van zijde wisselen.
  3. Verplaats de cameralenzen terwijl u de videofeed bekijkt, zodat u de weg 5 en de achterkant van uw voertuig of trailer 6 duidelijk kunt zien.
  4. Draai de borgschroef vast totdat de cameralens niet meer in de behuizing beweegt.
    OPMERKING

    Draai de schroef niet meer dan 5 volledige slagen vast om schade aan het vergrendelingsmechanisme te voorkomen.

    TIP: U moet de positie van de cameralens controleren terwijl u de schroef vastdraait om ervoor te zorgen dat de lens niet verschuift.
GUID-41AB4C2D-E75E-460B-A06B-930BF002AAB8 v1
Januari 2026