Installatie
Aandachtspunten bij de montage
Houd rekening met de volgende aandachtspunten bij de keuze van montagelocaties voor de camera en zenderdoos.

-
U kunt de camera's bevestigen op de buitenspiegels of op ieder stabiel, vlak oppervlak met een goed zicht op de zijkant van uw voertuig of aanhanger.
-
U moet de camera's op een hoogte van minstens 120 cm (4 ft.) monteren, en niet meer dan 240 cm (8 ft.) van het wegdek.
-
U dient de camera's te monteren op locaties die voldoende ruimte bieden om kabels te leggen en installatiegereedschap te gebruiken.
-
U dient een voorziene montagelocatie te testen voordat u de camera's definitief monteert.
-
U dient ervoor te zorgen dat de zenderdoos binnen 3 m (10 ft.) wordt geplaatst van uw smartphone, tablet of navigatietoestel.
-
Monteer de zenderdoos stevig op een hard oppervlak in uw voertuig dat toegang biedt tot de geheugenkaart.
-
U moet ervoor zorgen dat de zenderdoos zich binnen het bereik van de camerakabels bevindt. Houd rekening met de kabelgeleiding en het kabelbeheer om er zeker van te zijn dat u voldoende kabel hebt voordat u de zenderdoos permanent bevestigt.
-
De zenderdoos wordt heet tijdens langdurig gebruik. U dient de zenderdoos te monteren op een niet-bekleed oppervlak met een goede luchtstroom.
-
Bij de geleiding van kabels moet u die beschermen tegen scherpe voorwerpen. Gebruik rubberen doorvoerringen (niet inbegrepen) om kabels door metalen panelen te geleiden om de kabels te beschermen.
De locaties van de camera en de zender testen
U moet de locaties van de camera en de zender testen om een permanente installatie te plannen.
De opschroefbare bodemplaat van de camera monteren
Voordat u de bodemplaat van de camera met de meegeleverde hardware kunt monteren, moet u een montageplaats kiezen waar u toegang hebt tot beide zijden van het montageoppervlak.
De zelfklevende bodemplaat van de camera monteren
De zelfklevende bodemplaat is bedoeld voor langdurige montage en is mogelijk moeilijk te verwijderen. Bepaal van te voren nauwkeurig waar u de bodemplaat wilt plaatsen voordat u deze bevestigt.
Voor de beste resultaten moet de omgevingstemperatuur tussen de 21° en 38°C (70° tot 100°F) zijn bij het plaatsen van de zelfklevende bodemplaat op de voorruit. De plaklaag hecht mogelijk niet goed als de temperatuur buiten dit bereik ligt. Als u de bodemplaat bij lagere temperaturen moet installeren, moet u alle sneeuw, ijs en vocht van het montageoppervlak verwijderen en het oppervlak verwarmen voordat u de bodemplaat monteert.
Voordat u de zelfklevende bodemplaat op uw voertuig monteert, moet u de aandachtspunten voor montage doornemen.
De camera aan de bodemplaat bevestigen
Afhankelijk van uw installatie kunt u de camerakabel door de bodemplaat en het montageoppervlak leiden, of door de sleuf in de zijkant van de camera.
De camerakabels aansluiten
Gebruik het heteluchtpistool alleen om de krimpkous te verwarmen in een goed geventileerde ruimte. Gebruik het heteluchtpistool niet in de buurt van kleding of blote huid. Dit kan leiden tot materiële schade of ernstig letsel.
U moet krimpkous aanbrengen op het aansluitpunt van de camerakabel om de camera's te beschermen tegen elektrostatische ontlading en/of kortsluiting. Gebruik zonder krimpkous kan resulteren in schade aan de camera of slecht functioneren van het product.
De zenderdoos monteren
Voordat u de zenderdoos met de meegeleverde hardware kunt monteren, moet u een stevig montageoppervlak in uw voertuig kiezen waar u toegang hebt tot beide zijden van het montageoppervlak.
Een geheugenkaart in de zenderdoos plaatsen
Als u video wilt opnemen, moet u een compatibele geheugenkaart installeren (niet meegeleverd). U kunt microSDHC- of microSDXC-geheugenkaarten van 16 tot 512 GB gebruiken met een snelheidsklasse van 10 of hoger. Geheugenkaarten moeten geformatteerd zijn in de exFAT-indeling.
De bedrading van de richtingaanwijzers aansluiten
U kunt de draden van de richtingaanwijzers vanaf de zenderdoos aansluiten op de linker en rechter richtingaanwijzers in uw voertuig. Het dēzl™ DualView systeem bevat aftakaansluitingen waarmee u de richtingaanwijzers kunt aansluiten zonder dat u de draden handmatig hoeft te knippen en te splitsen. U kunt de draden voor de linker- of rechterzijde instellen met de Garmin Drive app.
Bij de meeste installaties kunt u de plusdraden aansluiten op de richtingaanwijzers aan de zijkanten van uw voertuig. Neem contact op met de fabrikant van uw voertuig voor specifieke vragen over de aansluitingen van de richtingaanwijzers in uw voertuig.
Voedingsaansluiting
Als u het toestel op de voeding aansluit, moet u de rode en zwarte draden aansluiten op de voedingsbron.
- Rode draad
-
-
Deze kabel voorziet het toestel van stroom.
-
Gebruik een draad met een doorsnede van minstens 0,34 mm2 (22 AWG) als deze draad moet worden verlengd.
-
Als voor uw installatie een zekering nodig is, kunt u de meegeleverde zekering aansluiten op deze draad (Geïntegreerde zekeringskabel). De zekering dient zo dicht mogelijk bij de voedingsbron te worden geïnstalleerd.
-
- Zwarte draad
-
-
Dit is de aardedraad en u moet deze aansluiten op het negatieve aansluitingspunt van de voedingsbron of op een gemeenschappelijke aarding.
-
Gebruik een draad met een doorsnede van minstens 0,34 mm2 (22 AWG) als deze draad moet worden verlengd.
-
Geïntegreerde zekeringskabel
Garmin® raadt aan dat een ervaren installateur met de juiste kennis van elektrische systemen de geïntegreerde zekeringskabel installeert. Het onjuist aansluiten van de stroomkabel of de geïntegreerde zekeringskabel kan schade toebrengen aan het voertuig of de batterij, en kan persoonlijk letsel veroorzaken.
In veel gevallen moet u de meegeleverde geïntegreerde zekeringskabel op de voedingskabel van het toestel installeren om het toestel te beschermen tegen overspanning.

-
U moet de meegeleverde geïntegreerde zekeringskabel installeren als u de voedingskabel rechtstreeks aansluit op de voertuigaccu.
-
Als u de voedingskabel aansluit op een accessoirevoeding of stroomrail die al een geschikte zekering of beveiligingscircuit heeft, hoeft u de meegeleverde geïntegreerde zekering niet te installeren.
-
Bij het installeren van de geïntegreerde zekeringskabel moet u deze met de meegeleverde knijpconnector aansluiten op de rode systeemvoedingskabel.
De cameralens aanpassen
De camera's maken gebruik van een verstelbare lensmodule in een behuizing die op een bodemplaat is gemonteerd. De verstelbare lensmodule kan tot 45 graden worden gekanteld en tot 180 graden rechtsom of linksom worden gedraaid. De markeringen aan de randen van de lens geven de horizonlijn aan. Nadat u het gezichtsveld op uw aangesloten scherm hebt gecontroleerd, moet u de camera in de configuratie vergrendelen door de borgschroef vast te draaien met de meegeleverde inbussleutel.







